Terug
Gepubliceerd op 21/01/2020

2019_GR_00176 - Belasting op drijfkracht.

Gemeenteraad
ma 02/12/2019 - 20:00 Raadzaal van GC Blommaert, Gemeentepark 22, 2990 Wuustwezel
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Dieter Wouters, Mai Van Thillo, May Aernouts, Sus Vissers, Kris Van Looveren, Rit Luyckx, Katrin Kempenaers, Pieter Cools, Lynn Vermeiren, Els Van Hasselt, Leo Geysen, Ilke Pompen, Roger Aernouts, Thijs Ruts, Jan Van Looveren, Koen Van Putte, Amber Vermeiren, Eric Holemans, Ben Gagelmans, Marc Vanden Branden, Jasmijn Meirsman, Wim Vorsselmans, Harry Smeulders, Luc Loos

Verontschuldigd

Glenn Verelst, Koen Spitaels, Carrera Neefs, Karen Anthonissen

Secretaris

Luc Loos

Voorzitter

Dieter Wouters
2019_GR_00176 - Belasting op drijfkracht. 2019_GR_00176 - Belasting op drijfkracht.

Motivering

Motivering

De financiële toestand van de gemeente vergt de invoering van belastingen.

Juridische grond

Decreet lokaal bestuur.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd.
Omzendbrief Vlaamse regering KA/ABB 2019/2.

Relevante voorgeschiedenis, feiten en context

De gemeenteraad heeft in zitting van 26 augustus 2014 goedkeuring verleend aan de belasting op drijfkracht.

Besluit

De Gemeenteraad besluit, met 15 stemmen voor (Dieter Wouters, Mai Van Thillo, May Aernouts, Sus Vissers, Kris Van Looveren, Rit Luyckx, Katrin Kempenaers, Pieter Cools, Lynn Vermeiren, Els Van Hasselt, Leo Geysen, Ilke Pompen, Roger Aernouts, Thijs Ruts en Jan Van Looveren) en 8 stemmen onthouding (Koen Van Putte, Amber Vermeiren, Eric Holemans, Ben Gagelmans, Marc Vanden Branden, Wim Vorsselmans, Jasmijn Meirsman en Harry Smeulders).

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

Met ingang van 1 januari 2020 en voor een termijn eindigend op 31 december 2025 wordt ten bezware van de nijverheids-, handels- en landbouwbedrijven een belasting van 18,00 euro per kilowatt geheven op de motoren, ongeacht de krachtbron waarmede zij voortbewogen worden.

De belasting is verschuldigd voor de motoren die de belastingplichtige voor de uitbating van zijn inrichting of van de bijgebouwen gebruikt.

Dienen als bijgebouw van een inrichting beschouwd, elke instelling of onderneming en elke werf van om het even welke aard, die gedurende een ononderbroken tijdvak van minstens drie maanden op het grondgebied van de gemeente gevestigd is. De belasting is niet verschuldigd aan de gemeente, zetel van de inrichting, voor de motoren gebruikt in hierboven bedoelde bijgebouwen, in de verhouding waarin die motoren kunnen belast worden door de gemeente waar het bijgebouw gelegen is.

Wanneer hetzij een inrichting, hetzij een hierboven bedoeld bijgebouw, geregeld en duurzaam een motor gebruikt voor de verbinding met een of meer bijgebouwen of met een verkeersweg, is daarvoor de belasting verschuldigd in de gemeente waar hetzij de inrichting, hetzij het hoofdgebouw gevestigd is.

Artikel 2

De belasting wordt gevestigd op navermelde grondslagen:

a)   Omvat de inrichting slechts één motor, dan wordt de belasting gevestigd volgens de kracht opgegeven in het besluit waarbij vergunning tot het plaatsen van de motor verleend wordt, of akte genomen wordt van de plaatsing.

b)   Omvat de inrichting verschillende motoren dan wordt de belastbare kracht vastgesteld door de krachten, opgegeven in het besluit waarbij vergunning tot het plaatsen van de motoren verleend of akte van die plaatsing genomen wordt, op te tellen, en deze som te voorzien van een simultaanfactor, veranderend volgens het aantal motoren.  Deze factor, gelijk aan de eenheid van één motor, wordt tot en met 30 motoren met 1/100° van de eenheid per bijkomende motor verminderd, en blijft daarna onveranderd en gelijk aan 0,70 voor 31 motoren en meer.

Op het resultaat van de in a en b beschreven berekeningswijze worden de eerste 20 Kw vrijgesteld.

Artikel 3

Zijn belastingvrij:

1. De motoren die gans het jaar stilliggen. Het stilliggen voor een duur gelijk aan of langer dan een maand geeft aanleiding tot belastingvermindering in verhouding tot het aantal maanden gedurende dewelke de motoren stilgelegd worden. Voor de berekening van de vermindering wordt rekening gehouden met de simultaanfactor welke op de inrichting van toepassing is.
Geen belastingvermindering kan verleend worden, tenzij op ter post aangetekende of tegen ontvangstbewijs afgegeven berichten, waarbij de datum van het stilleggen en de datum van het weder in gang stellen van de motor bekendgemaakt wordt aan het gemeentebestuur. Voor de berekening van de belastingvermindering gaat de stillegging eerst in na ontvangst van het eerste bericht.
Bij afwijking van de in de laatste twee zinnen voorziene procedure, zal de vrijstelling ten voordele van de bouwondernemingen die verplaatsbare motoren gebruiken, volgens de hiernabepaalde regelen kunnen bekomen worden. Deze ondernemingen zullen, voor iedere aan de belasting onderworpen machine, een boekje moeten bijhouden, waarin de dagen worden vermeld gedurende dewelke de machine in gebruik is en de werf waar zij is opgesteld. Aan het einde van het jaar, zal de ondernemer zijn aangifte invullen aan de hand van de in elk boekje voorkomende gegevens, met dien verstande dat er over de gegrondheid van de in de boekjes geschreven gegevens steeds fiscaal toezicht kan worden uitgeoefend. Deze procedure is echter voorbehouden voor de bouwondernemingen die een geregelde boekhouding voeren, die een schriftelijke aanvraag tot het schepencollege zullen richten en de toelating van dat college zullen bekomen hebben. De verplichte vakantieperiode wordt niet in aanmerking genomen voor het bekomen van de belastingvermindering voor het stilleggen van de motoren. Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt gelijkgesteld de activiteit die beperkt is tot één dag werk op vier weken in de bedrijven die met de RVA een akkoord hebben aangegaan inzake de activiteitsvermindering om een massaal ontslag te voorkomen. Met inactiviteit voor een duur van één maand wordt eveneens gelijkgesteld de inactiviteit gedurende een periode van vier weken, gevolgd door een activiteitsperiode van één week, als het gebrek aan werk te wijten is aan economische oorzaken.
2. De voertuigen waarop de verkeersbelasting toepasselijk is, alsmede deze welke speciaal van die belasting zijn vrijgesteld.
3. De motor die een elektrische generator aandrijft voor het gedeelte van het vermogen dat gebruikt wordt voor het aandrijven van een generator.
4. De persluchtmotor.
5. De motoren gebruikt voor waterbemaling, alsmede deze gebruikt voor ventilatie- en verlichtingstoestellen.
6. De motoren van draagbare toestellen.
7. De reservemotor, dit wil zeggen deze waarvan de werking niet onmisbaar is voor de goede gang van zaken en die slechts werkt in uitzonderingsgevallen, voor zover zijn in werking stelling niet voor gevolg heeft dat de productie verhoogd wordt.
8. De wisselmotor, dit wil zeggen deze die uitsluitend bestemd is voor hetzelfde werk als een andere, welke hij tijdelijk moet vervangen. De reserve- en wisselmotoren kunnen aangewend worden om tezelfdertijd te werken als deze die normaal gebruikt worden gedurende de nodige tijd om de voortzetting van de productie te verzekeren.

Artikel 4

Levert een onlangs geplaatste motor niet dadelijk het normaal rendement op omdat de ermee aan te drijven installaties onvolledig zijn, dan wordt de niet gebruikte kracht aanzien als reservekracht in zover zij 20 % van de in het vergunningsbesluit opgegeven kracht overtreft. Deze kracht wordt voorzien van de simultaanfactor die op de inrichting van toepassing is.

In dat geval is de aangegeven kracht slechts geldig voor drie maanden, en moet de aangifte om het kwartaal vernieuwd worden zolang deze uitzonderingstoestand duurt.

Onder onlangs geplaatste motoren worden verstaan deze waarvan de ingebruikstelling dateert van het voorgaande of van het voorlaatste jaar.

Artikel 5

De motoren die van de belasting vrijgesteld zijn, alsmede deze welke stilliggen, worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de simultaanfactor.

Artikel 6

Wanneer de motoren uit oorzaak van een ongeval niet meer in staat zijn om meer dan 80 % van de geleverde kracht te verbruiken, wordt de belasting berekend op de verbruikte kracht, op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit minstens drie maanden duurt, en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden gebruikt wordt.

De gedeeltelijk buiten gebruikstelling moet binnen de acht dagen bericht worden aan het gemeentebestuur bij aangetekend schrijven of schriftelijk tegen ontvangstbewijs.

Artikel 7

Wanneer de installaties van een nijverheidsbedrijf voorzien zijn van meetapparaten voor het maximum kwartuurvermogen, waarvan de opnemingen maandelijks door de leverancier van elektrische energie worden gedaan met het oog op het factureren ervan en waarbij dat bedrijf belast werd op grond van het bepaalde in de artikelen 1 tot 6 gedurende een periode van tenminste twee jaar, wordt het bedrag der belastingen betreffende de volgende dienstjaren, op verzoek van de exploitant, vastgesteld op basis van een belastbaar vermogen, bepaald in functie van de variatie, van het ene tot het andere jaar, van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximum kwartuurvermogens.

Daartoe berekent het bestuur de verhouding tussen het vermogen, dat voor het jongste aanslagjaar op grond van bepaalde in de artikelen 1 tot 6 aangeslagen werd en met rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximum kwartuurvermogens opgenomen tijdens hetzelfde jaar, deze verhouding wordt “verhoudingsfactor” genoemd.

Vervolgens wordt het belastbaar vermogen elk jaar berekend door vermenigvuldiging van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maximum kwartuurvermogens van het jaar met de verhoudingsfactor.

De waarde van de verhoudingsfactor wordt niet gewijzigd zolang het rekenkundig gemiddelde van de maximum kwartuurvermogens van een jaar niet meer dan 20 % verschilt van die van het refertejaar, dit wil zeggen van het jaar dat in aanmerking werd genomen voor de berekening van de verhoudingsfactor. Bedraagt het verschil meer dan 20 %, dan telt het bestuur de belastbare elementen teneinde een nieuwe verhoudingsfactor te berekenen.

Om het voordeel van de bepalingen van dit artikel te genieten, moet de exploitant voor 31 januari van het aanslagjaar een schriftelijke aanvraag bij het gemeentebestuur indienen met opgave van de maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen, welke in zijn installaties werden opgenomen tijdens het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan hij om de toepassing van deze bepalingen verzoekt; hij moet er zich voorts toe verbinden bij zijn jaarlijkse aangifte de opgave der maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen van het aanslagjaar te voegen, en het bestuur toe te laten te allen tijde de in zijn installatie gedane metingen van het maximum kwartuurvermogen, vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie, te controleren.

De exploitant die deze wijze van aangifte, controle en aanslag kiest, verbindt zich door zijn keuze voor een tijdvak van vijf jaar. Behoudens verzet van de exploitant of van het bestuur bij het verstrijken van het optietijdvak wordt dit stilzwijgend verlengd voor een nieuw tijdvak van vijf jaar.

Artikel 8

De telling van de belastbare elementen wordt gedaan door de beambten van het gemeentebestuur. Deze ontvangen van de belastingschuldigen een geschreven aangifte waarvan het model door het gemeentebestuur voorgeschreven wordt.

De belastingplichtige is er toe gehouden eventuele veranderingen of verplaatsingen van motoren in de loop van het jaar aan het gemeentebestuur bekend te maken, (behoudens wanneer hij op geldige wijze de regeling bedoeld bij artikel 7 heeft gekozen).

Artikel 9

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.

Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

Artikel 10

Voor de inrichtingen die in werking zijn op 1 januari van het aanslagjaar wordt een voorlopig kohier opgemaakt volgens de gegevens die tot grondslag gediend hebben voor de aanslag van het vorig jaar. Deze toestand wordt desgevallend herzien bij middel van een definitief kohier op het eind van het jaar, op grond van de volledige gegevens betreffende het dienstjaar waarop de belasting betrekking heeft.

Artikel 11

De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.

Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.

Artikel 12

De invordering van de belasting geschiedt door middel van een kohier.

Artikel 13

Het belastingreglement wordt overeenkomstig artikel 286 van het decreet lokaal bestuur afgekondigd en bekendgemaakt. Bij toepassing van artikel 330 van voornoemd decreet wordt de toezichthoudende overheid op de hoogte gebracht van deze bekendmaking.